Geheimen zijn leugens

in: De Groene Amsterdammer 26 (25 juni 2014)

Wat moeten we doen als de NSA alles afluistert en iedereen met een Google Glass gaat rondlopen? Romans lezen. Die kunnen ons leren wat transparantie betekent, en waarom we geheimen nodig hebben om mens te zijn.

Blader terug: Een monitor op vier wielen
Blader verder: Op zoek naar de innerlijke stil…
Terug naar overzicht
Gebruikte Tags: , , , ,
182 x bekeken
These icons link to social bookmarking sites where readers can share and discover new web pages.
  • Facebook
  • Twitter

Wat weet de overheid van ons? Sinds de onthullingen van Edward Snowden over de NSA buitelen journalisten over elkaar heen in hun veroordeling van overheden die onze privacy niet respecteren. Centraal staat daarbij het recht van de gewone burger om niet ‘bespioneerd’ te worden door een alwetende staat.

 

Dat is opvallend, want als iemand de ­voyeur uithangt, is het wel de gewone burger, die er tegelijkertijd geen enkel probleem mee heeft om zijn of haar hele leven transparant te maken via sociale media. En als iemand wil dat alle boeven en files en kinderlokkers en ziekenhuis­fouten worden herkend, aangewezen, geïsoleerd en uitgebannen, is het juist de gewone burger, die liefst per direct alles onder overheids- of camera­toezicht zou willen hebben.

 

Kortom, de metafoor van Big Brother, de boze staat die argeloze burgers wil onderwerpen, is een eenzijdige kijk op de ontwikkelingen. Maar hoe kunnen we die dan wél begrijpen? Volgens een paar Amerikaanse onderzoekers kunnen we daarvoor het best de deur dicht doen, de computer en de telefoon uit zetten en wegduiken in een stapel oude romans.

 

Metaforen zijn cruciaal voor het begrijpen van de wereld om ons heen, zeggen deze onderzoekers, verbonden aan PEN, een club die opkomt voor literatuur en het vrije woord. Ze stimuleren het denken, maar uiteindelijk loopt het er vaak op uit dat metaforen het denken juist vernauwen. En daarom moeten de metaforen die gebruikt worden in het publieke domein nauwgezet worden gevolgd.

 

PEN is de oudste mensenrechten­organisatie en de oudste internationale schrijvers­organisatie ter wereld. Begin mei publiceerde de Amerikaanse afdeling een onderzoek naar de metaforen die journalisten gebruiken om surveillance te duiden. Voor dit zogenaamde Surveillance Mapping Metaphor Project werden 133 artikelen en blogposts over de NSA bekeken, geschreven door 105 auteurs voor zestig verschillende Amerikaanse opdrachtgevers, die tussen december en februari verschenen. De onderzoekers turfden in totaal 245 metaforen.

 

Creatief zijn journalisten wel, is een van de conclusies. Ze hebben het over het vegen, oog­sten, verzamelen, binnenhalen, plukken of vangen van communicatiegegevens. Veel metaforen komen uit de mijnbouw (delven), uit de visserij (sleepnet, tentakels, et cetera) of gaan over dictatuur (Stasi, politiestaat, zuiveren). Heel veel­zijdig allemaal, maar de literaire kennis van journalisten valt een beetje tegen. Maar liefst acht procent van alle artikelen bevat een verwijzing naar literatuur. Klinkt goed, maar het is altijd Big Brother, de onzichtbare heerser uit het boek 1984 van George Orwell, of Orwell zelf. ‘Orwell is de regerende koning van de surveillance­staat’, aldus de onderzoekers.

 

Orwell schreef het boek in 1948 om te waarschuwen tegen totalitarisme. Het speelt zich af in Oceanië, een politiestaat die mensen dwingt tot loyaliteit door al hun gedachten en uit­latingen te controleren. Big Brother is watching you, luidt de slogan, en Big Brother is de grote leider aan wie iedereen trouw verschuldigd is. Natuurlijk, er zijn dissidenten, in het boek is dat Winston Smith, die een dappere strijd voert en waarheid en liefde belangrijker vindt dan de mening van de Partij. Maar ook hij wordt gebroken door de terreur van de geheime politie en Big Brother, die al zijn geheime verlangens en angsten kent.

 

Met zijn boek heeft Orwell ervoor gezorgd dat Big Brother nog steeds de meest gebruikte metafoor is als het gaat om overheden die alles willen weten. Dat doet de discussie echter geen goed, aldus pen. ‘Big Brother is een overdrijving, want de Amerikaanse maatschappij is opener dan de maatschappij in 1984. Ondanks de te grote macht van de nsa kunnen we Amerika niet autoritair noemen.’

 

Dit werd jaren geleden al betoogd door Daniel Solove, een onderzoeker aan George Washington University Law School. Door het telkens maar weer aanroepen van de Big Brother-­metafoor versterken we precies het beeld dat voor de verkeerde privacywetten heeft gezorgd: dat onze privacy vooral gevaar loopt door een alleswetende surveillancestaat die geheimen probeert te ontfutselen. Maar dat is maar een deel van het probleem, stelt Solove. Het probleem is niet dat een machtige heerser onze geheimen wil weten, maar dat we verstrikt raken in een onbewust proces van bureau­cratische onverschilligheid, willekeurige fouten en ontmenselijking. Als dat waar is, hebben we meer aan Kafka’s Het proces dan aan 1984. Kortom, het is tijd om onze literaire kennis over surveillance eens wat te verdiepen.

 

 

 

De grote tegenhanger van 1984 is Heerlijke nieuwe wereld van Aldous Huxley, geschreven in 1931. Ook daarin staat een dictatuur centraal, maar in tegenstelling tot de nachtmerrie van Orwell is hier geen pijn en geen lijden. De ‘heerlijke nieuwe wereld’ is een gestroomlijnde, geordende maatschappij, waar verlangens direct bevredigd worden en waar alle processen beheerst verlopen. Gezinnen bestaan niet, seks is vrij te krijgen, en kinderen komen van de lopende band, perfect gekweekt voor hun taak, al naar gelang de kaste waartoe ze zijn voorbestemd. Iedereen is tevreden, en mocht er iets misgaan, dan is er gratis soma van de staat. Soma is een geluksmiddel zonder bijwerkingen. Geluk is immers de voorwaarde voor stabiliteit, het doel van de wereldstaat.

 

Zoals de wereldbeheerder, Mustapha Mond, op een gegeven moment uitlegt aan een ‘wilde’, die per ongeluk buiten de beschaving is opgegroeid: ‘Er is altijd soma om je woede te kalmeren, om je met je vijanden te verzoenen, om je geduldig en lijdzaam te maken. In het verleden kon je die dingen alleen door grote inspanning en na jaren van strenge morele oefening bereiken. Nu slik je twee of drie halvegrams­tabletten en klaar ben je. Iedereen kan tegenwoordig deugdzaam zijn. Je kunt minstens de helft van je moraliteit in een flesje bij je dragen. Christendom zonder tranen – dat is soma.’

 

In Heerlijke nieuwe wereld worden mensen opgevoed om zich ongemakkelijk te voelen bij privacy. Alleen wandelen in het bos, zoals de hoofdpersoon Bernard graag doet, is een taboe. Huxley laat goed zien hoe mensen ertoe gebracht kunnen worden om niet meer alleen te zijn en alles transparant te willen maken. Dat lukt niet met dwang. De perfecte dictatuur is een dictatuur die mensen geeft wat ze willen: tevredenheid en stabiliteit. Als er dan iemand opstaat die de orde in gevaar brengt, dan zijn het ongeruste burgers zelf die de onruststoker onschadelijk maken. De mensen staan in de rij om hun vrijheid in te leveren, als ze er maar genoeg spullen en vakanties voor terug krijgen.

 

 

 

Het bekende schema van de dystopie – dictatuur, buitenstaander, liefje, strijd, ondergang – hebben Orwell en Huxley niet van zichzelf. Zij putten uit nog een oudere bron, en dat is Jevgeni Zamjatin. Zamjatin was een Russische schrijver die door de leninisten na de Russische Revolutie al snel werd gezien als een van de grootste gevaren omdat hij opkwam voor ‘ketters’. Ware literatuur komt niet van ambtenaren, geloofde hij. Begin jaren twintig schreef hij zijn beroemde boek Wij. Het speelt zich af in de verre toekomst en is geschreven in de vorm van het dagboek van D-503, een ingenieur in de Eenheidsstaat. Ook hier wordt alles elektronisch in de gaten gehouden door de geheime politie, met de Weldoener aan het hoofd. Dissidenten worden openbaar terechtgesteld, en iedereen juicht mee. De beschaving wordt beschermd door een muur, maar wat opvallend is: daarbinnen is alles van glas.

 

Die transparantie staat centraal in Wij. Alles verloopt begrijpelijk, beheerst, efficiënt. Alleen voor seks mogen de gordijnen even dicht, maar niet langer dan vijftien minuten, en de partners worden door de autoriteiten aan elkaar toegewezen. Mensen zijn willoze radertjes in de grote machine. Er is één uitzondering: een vrouw, O-90, die openlijk de regels overtreedt, flirt met D-503 en hem meelokt naar een huis met muren. Als ze de geheime gang daar volgen, blijkt dat er een groene wereld is buiten de grijze stad. Daar ontmoet hij verzetsstrijders, die hem uitleggen waarom zijn voorspelbare wereld helemaal niet zo ideaal en mooi is als hij wel dacht.

 

De Weldoener belooft het verzet te breken en de ‘rede’ te herstellen. De rede is volgens hem de basis van alle geluk, het tegenovergestelde van fantasie, emotie en verbeeldingskracht. Wanneer de Weldoener uiteindelijk besluit iedere burger te dwingen tot een hersenoperatie, die mensen helpt om nooit meer afgeleid te worden door hun verbeelding, wordt het zelfs voor D-503 en O-90 nog erg moeilijk om voor de vrijheid te kiezen.

 

Het is profetisch hoe Zamjatin al zo vroeg doorzag dat instrumentele rede, het pure mathematische denken, zonder externe doelen, totalitair kan worden. Maar ook hoe beheersing verweven is met kenbaarheid en dus met transparantie. Dat is een belangrijk inzicht voor onze tijd, waarin de roep om alles te ontsluiten wat nog niet kenbaar en meetbaar gemaakt is steeds luider klinkt.

 

‘Het verlangen naar totale transparantie is een totalitair verlangen’, zegt Paul Frissen, filosoof en bestuurskundige. Op zijn werkkamer in Den Haag praat hij over zijn boek De fatale staat, en over de moderne neiging om alles te willen beheersen en kennen. ‘De kern van de vrijheid is dat ik geheimen heb. Dat begint al bij vriendschap en liefde, die berusten op de zekerheid dat niet alles zal worden gezegd. Het geldt ook voor de politiek. Het streven naar trans­parante politiek is vaak een reactie van mensen die inzien dat zij zelf alles aan de staat moeten laten zien. Maar uiteindelijk maakt Julian ­Assange met zijn WikiLeaks deel uit van hetzelfde discours als de NSA en andere geheime diensten, namelijk dat de wereld inzichtelijk en overzichtelijk moet worden gemaakt in het belang van een hoger doel: veiligheid dan wel wereldvrede.’

 

Dit verlangen is utopisch, aldus Frissen, en daarmee verwoordt hij wat Zamjatin negentig jaar geleden al inzag. ‘Het verlangen naar volledige maakbaarheid en transparantie is een verlangen naar onmiddellijkheid. Dat wil zeggen dat de dingen zich direct tonen zoals ze zijn. Maar het is naïef om te denken dat dat kan. Wij zijn vrije wezens. Ons handelen is ingegeven door voorkeuren, vooroordelen, tradities, vergissingen, geheimen.’

 

Met andere woorden: we handelen bemiddeld. Er zitten dus lagen en maskers tussen, ook al vinden we die misschien lastig. ‘Of zelfs slecht. Vrijheid brengt altijd strijd. Daarom is er politiek. Dat is een strijdtoneel waar een voorlopige, tijdelijke orde wordt ingesteld. Het verlangen naar een volmaakte orde is antipolitiek. Het is een illusie.’

 

 

 

Het streven naar transparantie schakelt dus niet alleen de politiek uit, maar ondermijnt de vrijheid om onszelf te zijn. Dat is waar ook Dave Eggers, in navolging van Zamjatin, voor waarschuwt, in het boek dat hij vorig jaar schreef, De Cirkel. De titel verwijst naar een soort über-Google-Facebook-bedrijf dat zich ten doel heeft gesteld om alles op aarde zichtbaar te maken. Daarvoor zijn kleine webcams ontwikkeld die bijna niet opgemerkt worden. ‘Geheimen zijn leugens’, is het motto van het bedrijf. De hoofdpersoon, Mae, een jonge vrouw die carrière maakt bij de Cirkel, spreekt aan het eind de hoop uit dat zelfs de gedachten van mensen openbare informatie worden.

 

Bij Eggers schuilt het gevaar niet in een autoritaire overheid, maar in de leeghoofdige oppervlakkigheid van de medewerkers en de klanten van de Cirkel. Zoals Mae, die uiteindelijk amper meer is dan het totaal van likes die ze krijgt van de mensen die zij op haar beurt heeft geliked. Hoe transparanter en kenbaarder haar leven wordt, hoe minder persoonlijkheid ze overhoudt. Transparantie staat uiteindelijk op gespannen voet met vrijheid en autonomie. Voor Eggers gaat het niet alleen om de macht van de overheid, maar ook om de vraag: hoe kunnen we in een wereld waar alles trans­parant wordt nog de verborgen ruimte vinden om iemand te zijn, of te worden?

 

De Silicon Valley-elite lijkt zich deze vraag nauwelijks te stellen. ‘Het tijdperk van privacy is voorbij’, zegt Mark Zuckerberg, oprichter van Facebook. ‘Als je iets doet en niet wilt dat mensen het weten, moet je het misschien gewoon niet doen’, zegt Eric Schmidt, topman van ­Google. Transparantie is de weg naar een betere wereld. Daarom wil Zuckerberg alle ­onontgonnen gebieden op aarde draadloos internet geven door middel van ballonnen, en wil Google ons verrijken met een bril die ons voorziet van ‘augmented reality’, waarbij de zichtbare werkelijkheid wordt aangevuld met allerhande achtergrond­informatie en links, zodat we nooit meer iets niet weten.

 

 

 

We moeten ons niet beperken tot de klassieke dystopische romans als we het wezen van de surveillancemaatschappij willen begrijpen. De meeste boeken in dit genre zijn wel erg een­dimensionaal als het gaat om macht, zegt literatuur­wetenschapper David Rosen, hoogleraar in Connecticut. Hij doet onderzoek naar literatuur en privacy en schreef vorig jaar samen met Aaron Santesso het boek The Watchman in Pieces: Surveillance, Literature, and Liberal Personhood. Voor Rosen geen deterministische vergezichten, maar liever Tolkien, auteur van In de ban van de ring. Die begrijpt tenminste hoe macht werkt.

 

‘Individuen hebben ten diepste veel meer vrijheid dan de dystopische auteurs beweren’, vertelt Rosen in een telefonisch gesprek. ‘Ik zie wel dat mensen kunnen worden gereduceerd tot radertjes in een machine. Maar alleen als ze dat zelf willen. Achter veel dystopische visies zit de aanname dat een centrale macht niet alleen alles kan zien, maar ook alles kan begrijpen. Dat is onjuist. Centrale macht, ook in onze tijd, lijkt niet op de alwetende Big Brother. Veel meer op Sauron, die alles kan zien, maar niet door heeft wat de twee hobbits, voor de poorten van zijn rijk, komen doen. Kennen is niet hetzelfde als begrijpen.’

 

Sauron, de heer van Mordor, mist de empathie. Hij kan zich niet inleven in iemand die andere waarden heeft dan hijzelf. Hij kan zich niet voorstellen dat iemand macht heeft, belichaamd door de ring, maar die macht niet gebruikt. Sauron kan niet verzinnen dat iemand de ring, zijn macht en dus zijn eigen leven, zou willen vernietigen voor een hoger doel.

 

Wat we bij Tolkien in onze oren moeten knopen, aldus Rosen, is dat hij een katholiek is, en een gelovige ook. ‘Hij kan een autoritaire heerser dus nooit helemaal serieus nemen. Geen enkele macht kan als God zijn, in zijn ogen. De dystopische auteurs lijken dat wel te denken, maar volgens Tolkien zijn de mensen zelf altijd, tot op zekere hoogte, verantwoordelijk voor de macht die ze aan hun machthebbers geven.’

 

En de machthebbers zelf zijn ook menselijk. Een onderdrukkend regime wordt altijd geplaagd door incompetentie, cynisme en paranoia. Kijk naar wat de geheime politie van Mordor, de orks, zegt als ze Frodo, de hobbit met de ring, heeft gevangen:

‘Wat denk je dat het is? Het lijkt wel iets Elfs, maar ondermaats. Wat voor gevaar schuilt er in zoiets?’

‘Weet ik niet voor we ’t hebben onderzocht.’

‘Oho! Dus ze hebben je niet verteld wat je kon verwachten. Ze vertellen ons niet alles wat ze weten, wel? Dat had je maar gedacht! Maar ze kunnen fouten maken. Zelfs de grote bonzen.’

‘Sst! Misschien wel, maar ze hebben overal oren en ogen: waarschijnlijk zitten er ook onder mijn troep. Maar er is geen twijfel aan, ze zijn verontrust over iets. Iets is bijna misgegaan. (…) Het Oog was zeker ergens anders druk bezig, denk ik.’

Tolkien bagatelliseert de terreur van Mordor niet. Maar totale macht vertrouwt zijn eigen agenten niet, en houdt informatie voor ze achter. ‘En daarmee is Tolkien veel overtuigender in waarom totale surveillance vaak faalt, dan Orwell in waarom het altijd werkt’, zegt Rosen. ‘En dat is zowel reden tot zorg als reden tot hoop.’

 

Het gevaarlijkste is dus niet dat de overheid ons kan dwingen om radertjes in een machine te worden. Het gevaarlijkste is dat wij de wereld gaan zien als machine. Dat we te veel in technische oplossingen geloven, waarbij we denken dat data alle menselijke nuances kunnen vangen. Dat begrip hetzelfde is als kennis, en kennis hetzelfde als transparantie. En dat een elektronisch profiel een correct beeld is van een persoon.

 

Om dit te bestrijden, zegt Rosen, hebben we literatuur nodig, ook als die niet direct gaat over surveillance. ‘Literatuur, en andere kunst, is het begrijpen van anderen. Het is een van de manieren om onze empathische vermogens te cultiveren, om te ontdekken wat persoon­lijkheid betekent. Dat is van levensbelang, als we niet ten onder willen gaan in een machine. We moeten de persoonlijkheid van onszelf en van anderen leren respecteren. Dat gaat lijnrecht in tegen de tendens om alles in data uit te drukken.’

 

 

Dit artikel is deel van een serie over digitale ontwikkelingen, die tot stand komt met steun van het Fonds Bijzondere Journalistieke Projecten.

Geen reacties





(optioneel veld)
(optioneel veld)
Beantwoord de vraag om te bewijzen dat je geen robot bent die viagra verkoopt.

Reactiemoderatie staat aan op deze site. Dit betekent dat je reactie niet zichtbaar zal zijn, tot deze is goedgekeurd door een beheerder.

Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.


Blader terug: Een monitor op vier wielen
Blader verder: Op zoek naar de innerlijke stilte
Terug naar frankmulder.info