Hoe gaat het met het Nederlandse bos?

in: De Groene Amsterdammer 37 (13 september 2017)

In het weinige bos dat Nederland heeft, vergt het combineren van dierenwelzijn, houtproductie en recreatie een uiterst zorgvuldig beheer. Gelukkig zijn er de boswachters.

Blader terug: Businessplan Wooncoöperatie
Blader verder: De geluksmachine digitaal
Terug naar overzicht
Gebruikte Tags: ,
10 x bekeken
These icons link to social bookmarking sites where readers can share and discover new web pages.
  • Facebook
  • Twitter
Medium hh 60855816
Baarn. Staatsbosbeheer dunt een bosperceel uit © Caspar Huurdeman Fotografie / HH

Er is iets aan de hand in het bos. Boswachter Wanda Zwart weet het zeker. Eerst trok de iepenziekte over ons land. Je zag het aan de kruinen, de bovenste takken staan er kaal en verdrietig bij. Tienduizenden bomen moesten worden gekapt. Later ging het mis met de paardenkastanje, en nu zijn de eik en vooral de es aan de beurt. Door de zogenaamde essentaksterfte zal naar schatting negentig procent van alle essen in Nederland doodgaan. ‘Ik kan niet geloven dat het toeval is.’

Hoe gaat het met de natuur in het bos? Om daar een antwoord op te krijgen, moeten we beginnen bij de mensen die er dagelijks over waken. Zoals Zwart. Ze is ecoloog-boswachter bij Staatsbosbeheer en moet er onder andere voor zorgen dat broedplaatsen worden gespaard tijdens de houtkap. Vandaag loopt ze kriskras door de laatste stukjes percelen die ze nog niet heeft gecontroleerd, tussen Baarn en Lage Vuursche, met hulp van een oudere man die al sinds 1973 vrijwilliger is voor Staatsbosbeheer. Met een rood-wit lint om bomen te markeren en een iPad om de coördinaten in te voeren loeren ze als vossen naar nesten, burchten, mierenhopen en andere beschermwaardige plekken. Die worden elektronisch doorgeseind aan de harvester, de man met de kapmachine, die vanzelf een bliepje in zijn cabine hoort als hij even moet opletten.

‘Dieren hebben hun eigen wegennet door het bos’, vertelt Zwart, ‘afgebakend met hun specifieke geuren. Wissels, heten die paadjes.’ Je moet het even door hebben, maar dan zie je het: dood gras, platgetrapte plantjes: onmiskenbaar een paadje dat is gevormd door zoogdiergetrippel. In het spoor van vos of ree stappen we over een dode boom heen en wurmen we ons tussen twee sparren door, speurend naar signalen uit het dierenrijk. ‘Holen en burchten moeten worden beschermd. En daarvoor let ik op veel dingen tegelijk. Uitwerpselen bijvoorbeeld. Maar ook op putjes die dassen met hun snuit gegraven hebben. Je ziet de hoopjes aarde ernaast liggen.’

Haar getrainde oog valt op een veertje dat bungelt aan een tak van een lariks, een boom waarvan de naalden in plukjes bij elkaar staan. ‘De kleinste veertjes kunnen een aanwijzing zijn voor een boomvalk. Die hebben geen plukplaatsen, zoals veel andere roofvogels. Hun nesten voer ik ook in het systeem in. Vaste nesten, vooral van roofvogels, moeten we sparen. Nesten van zangvogels trouwens ook, als er jongen zijn.’ Zwart zit nu bijna iedere dag in het bos omdat de kapwerkzaamheden moeten beginnen. Het is natuurlijk onmogelijk om precies te weten welke soorten zich in het bos bevinden, maar ze doet vooraf altijd onderzoek. ‘Ik win inlichtingen in bij lokale vrijwilligers en ik kijk op waarneming.nl of er bijzondere soorten zijn gezien.’

Wanda Zwart is vol liefde voor haar werk. En haar vrijwilliger vandaag – ‘mijn naam is niet interessant’ – eveneens. Ze houden van het bos. Voor leken is het soms een groene brij. Voor mij is een spar een spar. Maar een boswachter weet dat sommige sparren naar citronella ruikende naalden hebben (de douglasspar) en andere niet (de fijnspar, oftewel de kerstboom). Ze zijn beide geliefd bij houtproducenten omdat ze zo snel groeien. ‘Het brult de grond uit’, aldus de vrijwilliger. Maar voor insecten en vogels is er weinig aan en bodemleven is er amper. Neem dan de eik: een groter feest voor de dierenwereld is er niet, en hij levert ook goed hout, maar je moet wel anderhalve eeuw wachten voordat je een mooi exemplaar kunt verkopen.

Er wordt door het speurteam vandaag niet bijster veel gevonden. ‘Het was vooral spar vandaag’, vertelt Zwart, ‘en daar gebeurt meestal niet zo veel. Al heeft het ook wel weer zijn functie. Voor sperwers is zo’n stukje dichte begroeiing van levensbelang.’ De sperwer heeft het namelijk altijd aan de stok met zijn grote neef, de havik, en hij heeft een dicht bos nodig om snel en behendig de havik van zich af te schudden als die weer op oorlogspad is.

Maar over sperwers gesproken – dat is weer zo’n soort waar iets mee aan de hand is. ‘We ontdekten iets vreemds in Ede. Hun eieren komen niet uit. Ze nestelen, ze broeden, maar de jongen sterven voordat ze uitkomen. We zijn daarom begonnen met een groot onderzoek naar de voedselketen van de sperwer.’ De oorzaak lijkt te maken te hebben met ernstige verstoringen van de voedselketen in het Nederlandse bos.

Richard van de Akker, een collega van Zwart, doet het blessen, zoals dat heet: hij selecteert welke bomen wel en niet gekapt mogen worden. Vandaag is hij hier vooral om de inrijpaden te markeren. De houtkap is begonnen, en de oogstmachines, de harvesters, walsen alles plat wat ze tegenkomen, dus er moet netjes aangegeven worden hoe ze mogen rijden om de te kappen bomen te bereiken. ‘Hier ligt het accent op houtproductie’, zegt hij. ‘Maar niet meer zoals vroeger, in de vorm van grote monoculturen van naaldbomen. Het bos is multifunctioneel. Dat kun je ook zien: bomen van verschillende soorten en leeftijden staan door elkaar.’

Van de Akker zoekt goede bomen met rechte, dikke stammen die de potentie hebben om later mooi hout te leveren. Deze toekomstbomen markeert hij blauw en hij controleert of er genoeg licht en ruimte voor ze is. Wanneer ze rijp zijn voor de kap, markeert hij ze oranje. Daarbij let hij op de zogenaamde doeldiameter. Oude, sterke bomen kunnen nóg ouder en dikker worden, maar op een gegeven moment passen ze niet meer in de zaagmachine.

‘Men denkt: we beginnen hier weer een dennenplantage. Wel efficiënt. Maar ecologisch zijn we terug bij af’

Het bos is een bron van hout dat op allerlei manieren nodig is voor onze economie. Het vergt een bijzondere balanceerkunst om dierenwelzijn, houtproductie en ook recreatie te combineren in een landje dat maar weinig bos heeft, zo’n tien procent van onze oppervlakte. Harrie Hekhuis mag namens de Nederlandse staat – eigenaar van een kwart van het bos – deze balanceeract uitvoeren. Hij maakt het beleid waar de boswachters in bijna honderdduizend hectare bos zich aan moeten houden. Aan een grote tafel in de zaal ‘Oostvaardersplassen’ in het kantoor van Staatsbosbeheer in Apeldoorn vertelt hij meer over de achtergrond van het Nederlandse bos. ‘Het bos in Nederland is eigenlijk heel jong. In 1850 was nog maar een paar procent van het oppervlak in ons land bebost. Alle vruchtbare grond werd bestemd voor landbouw. Wat overbleef waren vooral arme zandgronden. Toen er vraag kwam naar hout voor de mijnen, werden er vooral dennen aangeplant omdat die het goed doen met weinig voeding. Het benutten van woeste gronden, heette dat.’ Dat bossen ook gewoon mooi waren, om in te wandelen, kwam in de negentiende-eeuwse geest niet op. ‘Pas na de Tweede Wereldoorlog kwam er aandacht voor recreatie.’

Medium hh 13867698
De sperwer heeft baat bij een dicht bos © Ran Schols / Buiten-beeld / HH

In de jaren zeventig en tachtig vond een volgende omslag plaats. Er kwam steeds meer aandacht voor het belang van natuurbehoud. Men ontdekte dat ecosystemen stabieler zijn als ze diverse soorten herbergen en niet bestaan uit grote plantages met daarop één soort van één jaargang. Meer loofbomen, uitdunning en soms ook oud hout laten liggen voor dieren en schimmels, dat waren enkele elementen van een nieuwe, geïntegreerde vorm van bosbeheer.

Deze omslag heeft vruchten afgeworpen. Nog steeds is de natuurkwaliteit van het bos nog maar veertig procent van die van intacte bosecosystemen, is de schatting. Maar het is al beter, diverser en stabieler dan voorheen. In het Living Planet Report, een analyse van natuurorganisaties uit 2015 over de toestand van diersoorten in Nederland, staat dat de populaties in de meeste landgebieden afnemen, maar bosgebieden vormen hierop een uitzondering. In de bossen lijken de meeste dierpopulaties sinds 1990 stabiel.

Zo bezien is bosbouw eigenlijk een goedkope vorm van natuurbescherming. Toch kunnen we niet op de huidige manier doorgaan, zegt Hekhuis, die vorig jaar een nieuwe Bosvisie schreef voor Staatsbosbeheer. ‘Het is een belangrijke functie van bos, maar tegelijkertijd willen we dat de economie duurzamer wordt. Dat kan alleen als we de houtvoorraad op peil houden.’ Houtkap is geen vies woord, benadrukt hij. ‘Houtproductie is een cruciaal onderdeel van een groene economie. Het is heel mooi als we meer Nederlands hout zouden kunnen gebruiken in de bouw. En als we dat eerst doen in de vorm van balken, waarna we ze nog voor een minder hoogwaardige functie inzetten en uiteindelijk gebruiken als brandhout. Zo ziet een bio-based economy eruit, en dat is een vraag die uit de maatschappij zelf komt. Wij kunnen daaraan bijdragen.’

Onlangs pleitte Staatsbosbeheer, in samenwerking met natuurorganisaties en de houtsector, voor een grote investering in productiebos, met een uitbreiding van maar liefst honderdduizend hectare. ‘Omdat we meer hout uit Nederland nodig hebben, en omdat dat kan bijdragen aan onze klimaatdoelen, doordat bos CO2 opslaat.’ De balans tussen de drie functies moet dus meer verschuiven in de richting van productie, vindt Hekhuis. Niet zozeer voor de natuurgebieden, maar vooral voor de bossen (tweederde van het totaal) die als ‘multifunctioneel’ zijn aangemerkt. ‘De aandacht voor productie was wat weggezakt. Uit metingen blijkt dat de bijgroei van bomen, dus hoeveel het houtvolume aan de bomen jaarlijks toeneemt, afvlakt. Er is te veel ingezet op langzamere soorten en op openheid.’ Dat betekent dat er meer nadruk moet komen op bomen die misschien wat minder natuur- of recreatiewaarde hebben, zoals sparren, maar sneller geoogst kunnen worden. ‘En we moeten meer verjongen. Ruimte maken om bij te kunnen planten, zodat onze kleinkinderen nog hetzelfde kunnen oogsten.’

De Bosvisie van Hekhuis wil iedereen tevreden stellen. We gaan meer beschermen, meer beleven en ook nog meer benutten. Mensen willen meer biomassa, meer hout, meer natuur en meer mountainbikeroutes. En ook nog eens meer bos om CO2 op te vangen, en dat allemaal natuurlijk voor zo min mogelijk geld. Onder staatssecretaris Henk Bleker moest Staatsbosbeheer miljoenen inleveren. Kunnen we dan nog wel goed voor onze natuur zorgen?

Een voorbeeld van vernieuwing is vlaktekap. Daarbij worden hele stukken bos (‘maximaal een hectare’, zegt Hekhuis) in één keer gekapt, en de grond wordt omgefreesd, ‘geklepeld’. De losse grond en het ruime licht zijn geschikt voor dennen, een lucratieve boom die het anders aflegt tegen andere soorten. Maar volgens sommigen laat dit precies zien dat een al te efficiënte productie uiteindelijk wringt met de natuur.

Als ik deze kwestie neerleg bij Pro Silva, een werkgroep van bosbeheerders die vooral natuurvolgend willen beheren, krijg ik een voorzichtige reactie. ‘Ik begrijp dat Staatsbosbeheer terugvalt op bewezen eenvoudige methodieken’, zegt Boudewijn Swart, docent en adviseur op het gebied van bosbeheer. ‘Het is niet zo zwartwit. Maar het is wel zo dat ik me afvraag of je dit soort maatregelen nog wel moet willen. Volgens mij is het Nederlandse bos toe aan een nieuwe fase.’

‘Iedereen denkt dat het over is met de zure regen, omdat niemand erover praat. Maar het is een enorm probleem’

Swart laat het me persoonlijk zien. Met een kan koffie en een pak koeken brengt hij me naar de andere kant van de Utrechtse Heuvelrug, de Amerongse Berg, waar Staatsbosbeheer een multifunctioneel bos beheert. Voor ons doemt een grote open plek op, met verspreid nog een enkele lariks. Een voorbeeld van een kapvlakte. ‘Dit is niet één hectare’, zegt Swart, ‘dit is zeker drie of vier.’ We zien lange rijen jonge dennenboompjes, vers aangeplant. ‘Het is arme zandgrond. Vooral de grove den doet het daar goed. Hij heeft losse grond nodig en veel licht. Men denkt daarom: we gaan hier gewoon weer een dennenplantage beginnen. Wel efficiënt. Maar ecologisch zijn we weer terug bij af. De bodem blijft even arm als hij was, de structuur is verdwenen en de voeding die is opgebouwd spoelt voor een deel weer weg. Het bosklimaat is ook weg, in de zomer is het loeiheet en in de winter koud.’

Pro Silva pleit voor een benadering van kleinschalig beheren, inheemse soorten de kans geven en zo veel mogelijk spontane processen volgen. ‘Het Nederlandse bos is nog jong, maar je kunt al tekenen zien van een overgang naar een nieuw soort bos.’ Aan onze linkerhand, aan de overkant van het pad, vindt verjonging plaats. ‘Daar zijn individuele bomen uitgekapt. En zie je wat er gebeurt, tussen de oude dennen en de Douglassparren? Van alles! Ik zie jonge Douglasspar, een beukje, wat lariks. Lariks laat licht door, het is goed voor het bodemleven, en het is prachtig, duurzaam hout. Ik zie berkjes, dat levert goed strooisel op voor de bodem. We gebruiken het hout heel weinig, maar het is bijvoorbeeld prima voor fineerhout. Zo’n bos komt wel vanzelf op!’

‘Ik vraag me wel af’, zegt Swart, ‘of er nog plek is voor zo veel grovedennenbossen in Nederland. Ik denk dat het bos dus verandert, dat het toe is aan een nieuwe fase. Dat is wel complexer, om te beheren. Maar is dat erg?’

Erg misschien niet, maar wel duurder. De boskap moet juist efficiënter, vindt Staatsbosbeheer. Het is nu al een hele klus om ervoor te zorgen dat de juiste bomen zonder te veel nevenschade worden uitgekapt. Ik zie het met eigen ogen in het Baarnse bos, waar vlak bij Wanda Zwart en haar vrijwilliger de kap intussen begonnen is. Een reusachtig monster met grijparmen walst door het woud en plukt een boom van twintig meter dik uit de grond alsof het een soepstengel is. Hij laat de stam door zijn grijpvingers glijden, elke drie meter een zaagsnede makend. De twintig meter lange soepstengel valt in mootjes op de grond.

De harvester verslindt alles wat hij op zijn pad tegenkomt. Maar voor ons wil hij wel even halt houden. We klimmen op de machine om kennis te maken met de bestuurder, en met zijn scherm. Het is de kaart die – als het goed is – de gegevens van Zwart bevat. ‘Wat voor programma’s gebruik jij?’ vraagt Zwart. ‘Wat krijg je allemaal door van wat ik invoer?’ Het is ingewikkeld om de verschillende kaarten op elkaar aan te sluiten.

Terwijl Zwart zaken doet met de harvester fluistert de oude vrijwilliger dat dit een ‘goeie’ is. ‘Hij doet het netjes. Hij gebruikt de oude inrijpaden om niet te veel schade aan te richten aan het bos. Je ziet nu ook hoe belangrijk het is om vaste relaties te hebben. Dat is helaas niet altijd zo, vaak zet zo’n loonwerkersbedrijf telkens een ander mannetje in, een Pool of een Roemeen. Die doen soms maar wat.’

Het is duidelijk: goed voor een bos zorgen kan niet zonder mensen die van het bos houden en het kennen. Die de paden van de dieren kennen, de vlucht van de sperwer en het telefoonnummer van de harvester. Maar dat kost tijd, en tijd kost geld. En dat is iets wat de Nederlandse burger liever niet te veel uitgeeft.

Er is dus wel degelijk een spanning tussen natuur en houtproductie, zeker als dat efficiënt en goedkoop moet. Maar dat is slechts één van de uitdagingen voor het bos. Er zijn menselijke activiteiten die potentieel nog schadelijker zijn voor de natuur, en het is de sperwer die ons daarvoor heeft gewaarschuwd. Want wat blijkt? Volgens de onderzoekers hebben de sperwers in de armere zandgronden een tekort aan cruciale eiwitten. De mezen, die door de sperwer worden gegeten, hebben dit tekort ook, en de rupsen die zij weer eten ook. ‘De onderzoekers hebben heel sterke aanwijzingen dat dit te maken heeft met ernstige verzuring van de grond’, vertelt Wanda Zwart. ‘Op sommige plaatsen hebben ze een pH-waarde gevonden van slechts 2,44. Dat is zuurder dan cola.’

Met andere woorden: de zure regen is terug. ‘Iedereen denkt dat het over is omdat niemand erover praat. Maar het is een enorm probleem.’ Volgens Staatsbosbeheer is de oorzaak de ammoniak uit de veehouderij. De stikstof slaat neer in de bossen en zet het hele ecosysteem op z’n kop.

Maar de zure regen verklaart nog niet waarom al die bomenziektes elkaar zo snel opvolgen. ‘Het lijkt mij het meest logisch dat dit soort ziektes het gevolg zijn van klimaatverandering’, zegt Zwart. ‘Ik kan het niet bewijzen, maar dat het toeval is kan ik in elk geval niet geloven. In zo korte tijd, zo veel soorten… Ik denk dat de mens hier uiteindelijk zelf achter zit.’

De mens is de wereld wel heel snel aan het veranderen, zegt ook Boudewijn Swart. ‘Maar laten we niet vergeten dat de natuur veerkrachtig is. Zo’n bossysteem is groter en rijker dan we denken.’ De mens is maar een klein spelertje, die het bos niet moet behandelen als een soort akker. ‘Het bos in ons land wordt eindelijk diverser en veerkrachtiger. Laten we dat respecteren en niet denken dat we het allemaal met simpele methodes kunnen beheersen.’

Eén reactie

Een of meer reacties staan in de wachtrij om goedgekeurd te worden.





(optioneel veld)
(optioneel veld)
Beantwoord de vraag om te bewijzen dat je geen robot bent die viagra verkoopt.

Reactiemoderatie staat aan op deze site. Dit betekent dat je reactie niet zichtbaar zal zijn, tot deze is goedgekeurd door een beheerder.

Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.


Blader terug: Businessplan Wooncoöperatie
Blader verder: De geluksmachine digitaal
Terug naar frankmulder.info