‘Ik heb het niet gedaan’

in: De Groene Amsterdammer 51-52 (20 december 2017)

De jongerencultuur van de straat schrijft voor dat je brutaal bent. Iemand op zijn zwakste punt pakt. En nooit sorry zegt: dat is gezichtsverlies. Westerlingen kijken een beetje neer op dit concept van eer. Buiten de westerse cultuur is het juist de norm.

Blader terug: Het occulte denken van de nazi'…
Blader verder: Gastvrijheid en verwarring
Terug naar overzicht
Gebruikte Tags: ,
27 x bekeken
These icons link to social bookmarking sites where readers can share and discover new web pages.
  • Facebook
  • Twitter

beeld: Femke van Heerikhuizen

Medium nieuw 2017 12 16 schuld schaamte kleur

Pet, bontkraag, Red Bulletje. Daar hangen ze dan, verveeld en ledig, vier jongens tegen een muurtje, terwijl de kou ze niks lijkt te doen. Juist als een wat oudere man langsloopt om een vuilniszak buiten te zetten, vliegt de Red Bull met een mooi boogje richting het verlepte perkje violen bij de boom.

‘Zou je dat in de prullenbak willen gooien?’
‘Is niet van ons, meneer.’
‘We moeten de straat schoonhouden, snotneus.’
‘Waarom raapt u het dan niet op?’

De jongens halen verontwaardigd hun neus op, en de man ook.

Herkenbaar? Waarschijnlijk wel. Dergelijke taferelen spelen zich dagelijks af in duizenden winkels, sporthallen, parken en aula’s in Nederland. Jongeren die een regel overtreden en wanneer ze worden gecorrigeerd verontwaardigd ontkennen. De schaamteloosheid! En toch is schaamteloosheid het laatste wat hier te vinden is. Wat in onze ogen liegen is, gebeurt juist om schaamte koste wat het kost te voorkomen.

De Amerikaanse sociologe Ruth Benedict introduceerde in 1946 een beroemd onderscheid tussen schuldcultuur en schaamtecultuur. In de westerse, moderne cultuur voelen we ons persoonlijk schuldig als we iets fout doen, constateerde zij. Er is een objectieve wet of moraal en als die is overtreden staat de schuldvraag centraal. Door toe te geven en te herstellen, en vooral de waarheid te spreken, kunnen we de schuld weer kwijtraken. In oosterse culturen, zoals de Japanse die Benedict had onderzocht, is de orde veel meer gebaseerd op eer en schaamte, om de naam die de persoon, familie of groep heeft. Harmonie en respect zijn belangrijker dan de schuldvraag. Gezichtsverlies moet te allen tijde worden voorkomen. Soms betekende dat zelfs dat zelfmoord te verkiezen was boven het leven in schande.

Als etiketjes voor een hele cultuur zijn de begrippen te simplistisch, toonden latere sociologen aan. In de praktijk lopen schuld en schaamte veel meer door elkaar. Maar Benedicts uitleg helpt wel om te begrijpen hoe fundamenteel schaamte is voor de culturele ordes wereldwijd, en hoe wij in het Westen hebben afgeleerd om dat te begrijpen. Wij vinden eer en schaamte al snel iets achterlijks. Wat maakt het nou uit wat mensen van je vinden?

De Nederlandse filosoof Andreas Kinneging heeft het liever over eerethiek en gewetensethiek, schreef hij in 2005 in zijn boek Geografie van goed en kwaad. Hij vindt schaamte en schuld te negatief klinken. Tegenover de gewetensethiek die in de westerse cultuur dominant is, staat de eerethiek van de meeste andere culturen, niet alleen de Aziatische, maar ook bijvoorbeeld de oude Griekse en Romeinse. Goed zijn betekent voor een oude Griek of Romein in aanzien staan, respect genieten, roem verwerven, vrees inboezemen. Slecht zijn wil zeggen geminacht worden, vernederd, gegriefd, beschaamd, onbekend, niet gevreesd. De vraag hoe te leven houdt vooral in ‘hoe dwing ik respect af’.

De jongeren op straat lijken misschien wel op de oude Grieken en Romeinen. Dat is althans wat opkomt bij het volgen van een training van Hans Kaldenbach. Vandaag staat hij voor een veertigtal docenten, in de aula van een school voor speciaal onderwijs, ergens midden in het land, en o, wat herkennen de docenten zijn voorbeelden. ‘Wat we hier vandaag bespreken gaat niet over allochtoon of autochtoon’, vertelt Kaldenbach. ‘Het gaat over de denkwijze van zestig, zeventig procent van de jongeren vandaag de dag. En dat is de cultuur van de straat. Je kent het wel. Hondsbrutaal zijn. Meteen op scherp staan als je iets zegt. Vol minachting kijken, vooral naar vrouwen. Je op je zwakste punt pakken, geneigd zijn tot fysieke reactie, en reageren alsof je een misdaad hebt begaan als je ze een tikje op de arm geeft.’

‘En dan die ontkenningen’, vervolgt Kaldenbach. ‘Als ze iets op de grond gooien, en je spreekt ze erop aan, dan zeggen ze dat ze het niet gedaan hebben. Is dat liegen? Taalkundig gezien wel. Maar inhoudelijk gezien bedoelen ze iets anders. Ze bedoelen niet dat ze het niet hebben gedaan. Ze bedoelen “rot op, bemoei je niet met mij”.’ De oorzaak ligt in onze Nederlandse, horizontale cultuur. ‘Iedereen is gelijk geworden, niemand mag meer iets zeggen over iemand anders. Dat is ook op straat doorgedrongen. Zodoende wordt het geven van een opdracht ervaren als disrespect.’

Terwijl Kaldenbach uitleg geeft, begint achter hem iemand er heel hard doorheen te praten. Het is Jeroen van Veenendaal, een acteur die vandaag de macho speelt, inclusief gouden ketting. Hij was zo’n jongen die de leraar eigenlijk niet in zijn klas wilde hebben. En zijn vader eigenlijk niet in het gezin.

‘Als ik op school iets had gedaan. De juf wilde dat ik toegaf, maar ik weigerde. Geef me gewoon straf, dacht ik dan’

‘Onderbreek me even niet’, zegt Kaldenbach half streng, in zijn rol als docent en burgerman, die het al heel manhaftig van zichzelf vindt dat hij überhaupt iets durft te zeggen.

‘Ik zeg toch niks?’ zegt Van Veenendaal, en schuift zijn petje nog even verder over zijn hoofd.

De docent praat verder. De jongen rochelt even en spuugt op de grond. ‘Wil je dat even opruimen?’ ‘Heb ik niet gedaan.’ ‘Ik zie het toch zelf?’ ‘Heeft u een nieuwe bril nodig?’ Au. Ze pakken je altijd op je zwakke plek.

Op de lerarenopleiding leerde Kaldenbach om orde en respect te eisen. Maar dat was in de tijd dat onze cultuur nog verticaal was. Nu is die houding precies de rode lap die de jongere wild maakt. Erkennen dat je iets fout hebt gedaan, toegeven, soft zijn, dat kan niet. Dan ben je een nobody, een loser. Het gevoel van zwakte geeft een diepe schaamte ten opzichte van de eigen groep.

Van Veenendaal legt uit wat hij dan voelt: ‘Ik voel de neerbuigende woorden van de docent. Maar als ik toegeef, door druk, dan voel ik me niets waard. Echt, dat blijft me nog een jaar bij. Ik wil niet zwak zijn, ik wil sterk zijn. Ik wil me misschien best gedragen, maar niet op commando. Dat maak ik zelf wel uit.’

‘Als jullie een ruimte binnenkomen met mensen, dan vragen jullie je allereerst af wie wel en niet leuk is’, aldus Van Veenendaal tegen de docenten. ‘Maar zo kijk ik niet. Ik vraag me alleen af wie ik wel en niet aan kan. In de klas ook.’ ‘Jou kan ik wel hebben’, knikt hij naar een docent. ‘O, jij bent zo’n ouderwetse die op zijn strepen staat’, knikt hij naar een oudere leraar, in colbert. ‘Ik zoek de zwakke plekken. Wie heeft een bril, wie heeft een dikke kont.’ Zoals de docent zelf misschien vrolijk binnenstapt, met een horizontale bril, en zich afvraagt wie wel en niet leuk is, kijkt een jongere uit de straatcultuur met een verticale bril, gericht op de pikorde. En het geheim is: hoe onveiliger we ons voelen, hoe verticaler we kijken.

Natuurlijk moeten jongeren leren hoe het moet in de burgercultuur, anders vinden ze nooit een baan, zegt Kaldenbach. ‘Maar in de klas heb je orde nodig.’ Beter begrijpen hoe eer en schaamte werken in deze cultuur kan voorkomen dat je verzuurt en burnt out raakt. Soms kun je door een andere woordkeuze al een verschil maken. ‘Raap dat even voor me op’ klinkt voor een jongere veel aanstootgevender dan: ‘Raap dat even op.’

Kaldenbach vertelt graag over het klassieke probleem: de gestolen telefoon. ‘Er is een telefoon gestolen in de klas. Niemand heeft het natuurlijk gedaan. Wat doe je dan? Ik durf te zeggen dat je hem in zestig procent van de gevallen terug kunt krijgen als je het maar op de goede manier aanpakt. Begin ten eerste niet over stelen, maar zeg dat er een telefoon “kwijt” is. Zeg dan: “Willen jullie helpen zoeken? En zoek vooral ook onder de radiatoren, want daar komen ze vaak onder terecht.” Echt, in veertig procent van de gevallen duikt zo’n telefoon weer op. Werkt het niet, zeg dan: “Zullen we allemaal onze tas omkeren? Kijk, ik doe het ook. Echt waar, soms stopt iemand hem in je tas, om je zwart te maken, dat doen ze.” Dan stijgt je succeskans naar vijftig procent. Als laatste kun je een dreigingselement inbouwen. “We moeten anders naar de politie, en als die je de schuld geven, dan krijg je echt problemen, dus zoek nog één keer extra goed.” Zestig procent. Echt waar, ik ken zelfs een school waar ze op een vergelijkbare manier zes laptops hebben teruggekregen die al met een steekkarretje de school uit waren. De daders konden zonder gezichtsverlies hun fout rechtzetten.’

Wij westerlingen kijken een beetje neer op dit concept van eer. Onze cultuur is sterk geïndividualiseerd en gaat ervan uit dat een persoon niet samenvalt met zijn daden. Het helpt om te beseffen hoe atypisch dat eigenlijk is. Buiten de westerse cultuur is een eerethiek veel meer de norm. De eer van de persoon straalt ook af op de familie, de groep, de stam. Eer en schande zijn besmettelijk, in tegenstelling tot schuld. Dat betekent overigens niet dat geweld normaal is. Al bij de oude Grieken was een verschuiving te zien van fysieke kracht naar meer geestelijke kracht. En ook hulp of vergeving kan een plek hebben: als je iemand laat leven die je zou kunnen vernietigen, dan bevestig je daarmee je superioriteit. De helper staat hoog, de hulpbehoevende staat laag.

Volgens veel sociologen, en ook Kinneging, komt de gewetensethiek uit het christendom. De christenen verkondigden immers dat de mening van God belangrijker is dan die van de groep. Sterker nog, ze verkondigden een Heer die bewust zijn eer aflegde en de plek van de schande innam, om zo de op eer gebaseerde pikorde op z’n kop te zetten. Het is geen wonder dat de Romeinen de christenen aanvankelijk schaamteloos en immoreel vonden. Maar in die groep kon een gewetensethiek ontstaan. Pas als je je niet meer kapot hoeft te schamen om je zwakheid kun je je fouten objectief onder ogen gaan zien. Dan kun je gaan geloven dat je daden verkeerd kunnen zijn, maar dat je ze kunt herstellen, zonder ten onder te gaan, want je bent waardevol.

‘Ik vind dat juist een teken van beschaving. Dat er gevoelige onderwerpen zijn waar je niet openlijk over praat’

Volgens Kinneging hebben de eerethiek en de gewetensethiek in het Westen naast elkaar bestaan. Ze zijn de laatste eeuwen wel sterk veranderd. De eerethiek leeft voort op straat en in de criminele sfeer (uomini di onore, zeggen maffiosi, ‘mannen van eer’). De gewetensethiek is door de Reformatie nog veel meer gaan draaien om de zuiverheid van het individuele geweten. Intussen is daar vooral een verbasterde vorm van overgebleven die we terugvinden in het romantische ideaal van autonoom en authentiek zijn: je moet je eigen stem volgen, niet de stem van de ander. Je moet boven gevoelens van eer staan, je moet jezelf durven zijn. En je moet onbeschaamd alles kunnen zeggen wat je denkt. De romantische westerling vindt schaamte en eer eigenlijk vooral heel erg ouderwets.

En nu wordt het lastig. Als we dit vertalen naar de realiteit van de schoolklas, dan zien we ook daar dat verschillende ethische codes naast elkaar bestaan. Probeer het als puber maar eens te begrijpen. Je hebt de burgerlijke gewetensethiek die je moet kennen om ooit een kans te maken op een baan. Je hebt de erecode van de straat, die je moet kennen om niet te worden uitgekotst door je vrienden. En dan heb je, als je ouders uit een traditionele, collectieve cultuur komen, ook nog eens te maken met een oude vorm van eerethiek.

Kaldenbach laat een sheet zien. ‘De zeven ingrediënten van een goed excuus.’ De docenten lachen. ‘Echt waar, in onze cultuur moet een excuus exact aan zeven voorwaarden voldoen, anders telt het niet. Een complexe code die heel nauw luistert. Stel, je hebt een pen gepikt en je wordt betrapt. Allereerst: je moet sorry zeggen. Héél belangrijk, anders ben je niet oprecht. Ten tweede moet je je fout letterlijk benoemen. Je moet expliciet zeggen dat het je spijt dat je de pen hebt gepakt. Je moet ten derde ook een reden noemen, een intern argument, om uit te leggen waarom je de fout hebt gemaakt. Je moet een lichaamshouding aannemen die van berouw, spijt en deemoed getuigt. Je moet beterschap beloven. Je moet herstel bieden. En je moet, tot slot, een berisping lijdzaam aanhoren. Als je halverwege zegt dat het wel genoeg is, dan meen je het niet.’

Dit is heel ingewikkeld voor jongeren, zegt Kaldenbach. ‘In hun straatcultuur is de code bij overtredingen anders. Allereerst: je zegt géén sorry. Dat is gezichtsverlies. Als je de schuld krijgt, reageer je verontwaardigd. Je legt de schuld ergens anders neer. Je moet herstel bieden, maar dan op een ander moment, met behoud van je waardigheid.’

En er is dus een derde code, die vooral de allochtone jongeren ook moeten kennen, en dat is de code die ze thuis leren als ze iets verkeerd hebben gedaan. ‘Ten eerste, ze moeten bedeesd antwoord geven. Dat is een teken van respectvol bekennen. Ten tweede, ze moeten de straf aanvaarden. En ten derde, als het om taboe-onderwerpen gaat, ze mogen nooit de overtreding benoemen. “Heb je gerookt?” “Nee, vader, natuurlijk niet.” Je moet niet de onbeschaamdheid hebben om ook toe te geven!’

Als Kaldenbach dit vertelt aan een groep waar bijvoorbeeld Marokkanen bij zitten, dan zeggen ze dat het niet waar is. ‘Maar als hij mij als acteur meeneemt, dan moeten ze allemaal lachen en zeggen ze dat het helemaal klopt’, zegt Amar El-ajjouri. Hij is acteur en trainer en werkt vaak samen met Kaldenbach. El-ajjouri woont in een rijtjeshuis in een witte Haagse buurt, maar is van Marokkaanse herkomst. ‘“Rook je?” vroeg mijn vader me altijd. “Nee”, zei ik dan. “Je weet dat het slecht is, toch?” “Ja, papa, ik weet dat het slecht is.” Ik moest niet het lef hebben om te zeggen dat ik rookte. Roken is een teken van opstandigheid, vooral als je vader erbij is. Mijn vader wist best dat ik het wél deed. Sterker nog, als we samen ergens waren, verzon hij smoesjes zoals “loop nog even naar de parkeermeter” omdat hij wist dat ik dan even kon roken. Maar ik mocht het niet benoemen. Dat was een teken van respect.’

Amar El-ajjouri raakte wel eens in de war door de drie verschillende codes. ‘Vooral als ik dan op school iets had gedaan. Ik begreep er niks van. De juf wilde dat ik toegaf, maar ik weigerde. Geef me gewoon straf, dacht ik dan. U heeft het toch gezien? Ik ging de dag erna extra mijn best doen, om te compenseren, maar ik ging het zeker niet toegeven.’

Zo werkt het thuis ook op gebieden die met taboes zijn omgeven. In El-ajjouri’s gezin: seks, alcohol, een Nederlands vriendinnetje, criminaliteit. ‘Dat soort thema’s zijn zo beladen dat je de waardigheid van de ander ermee aantast als je ze benoemt. Dus benoem je ze niet. Niet om te ontkennen, iedereen weet het immers. Maar je benoemt het niet.’

Het gaat vaak ook om de morele reputatie van het gezinshoofd. ‘Mijn broer wilde werken bij justitie, en daarom deden ze antecedentenonderzoek. Onderdeel daarvan was een poster in het dorp van onze familie met zijn foto en een oproep om informatie over deze persoon. In het héle dorp werd geroddeld. Hij heeft iets gedaan! Mijn familie voelde zich echt gekwetst. Mijn moeder wilde er niet meer komen. Die reputatie werd ingezet om ons op te voeden. Hashuma, heet dat, schaamte. Dat wordt dan gezegd als het onderwerp niet eervol is. Als ik het woord zwemmen noemde, zei mijn moeder dat zelfs. Zwemmen had blijkbaar een associatie met seks. Ik mocht het niet zeggen. Dat is schaamte. De orde wordt vaak door vrouwen in stand gehouden, zelfs als die onderdrukkend is. Als je die doorbreekt, doe het dan stiekem. Het openbaar maken is het ergste wat je kunt doen.’

In de westerse, door christendom en romantiek gekleurde cultuur, staan waarheid en authenticiteit veel meer centraal. Maar is het zo zwart-wit? El-ajjouri denkt van niet: ‘In Nederland zijn ook taboes. En in traditionele kringen, ook reformatorische, worden sommige overtredingen ook niet besproken als ze schandelijk zijn.’ En in moderne, stedelijke kringen? ‘Zeker. Wat zeg je als iemand je iets vraagt over een taboe-onderwerp?’ Heb je porno zitten kijken? Heb je wel eens racistische gedachten? ‘Néééé, natuurlijk niet.’

Toch worden taboes veracht in de burgercultuur. We willen dat iedereen openlijk zegt hoe het is. El-ajjouri vindt dat wel eens lastig: ‘Ik kwam een keer bij een training, waar een vrouw te laat binnenkwam. “Moest je je kinderen naar school brengen?” vroeg iemand. “Nee joh”, riep ze, “ik kan geen kinderen krijgen, ik heb het helemaal dicht laten maken!” Ik vind dat schokkend hoe dat in Nederland, boem!, neergelegd kan worden. Je belast anderen met iets wat heel persoonlijk is.’

Is het erg dat er dingen zijn waar we met een boog omheen lopen, waar we mensen pas over vertellen als de deuren en gordijnen dicht zijn? ‘Ik vind dat juist een teken van beschaving. Dat je rekening houdt met hoe je de dingen tegen elkaar zegt. Dat er gevoelige onderwerpen zijn waar je niet openlijk over praat.’

Waar een maatschappij de mond vol van heeft, is vaak juist gebrek aan iets. Respect bijvoorbeeld. Onze westerse burgercodes zijn gebaseerd op waarheid, authenticiteit en geweten. Dat is een verworvenheid. Maar respect en begrip voor de schaamtes en de eergevoelens van een ander raken daarbij wel eens ondergesneeuwd. Als we dat wat meer zouden leren, zouden mensen uit collectievere culturen zich veel eervoller behandeld voelen, wat de relaties ten goede zou komen. Ook in de internationale politieke arena trouwens.

Geen reacties





(optioneel veld)
(optioneel veld)
Beantwoord de vraag om te bewijzen dat je geen robot bent die viagra verkoopt.

Reactiemoderatie staat aan op deze site. Dit betekent dat je reactie niet zichtbaar zal zijn, tot deze is goedgekeurd door een beheerder.

Persoonlijke info onthouden?
Kleine lettertjes: Alle HTML-tags behalve <b> en <i> zullen uit je reactie worden verwijderd. Je maakt links door gewoon een URL of e-mailadres in te typen.


Blader terug: Het occulte denken van de nazi's
Blader verder: Gastvrijheid en verwarring
Terug naar frankmulder.info